Hoe mannen hun diepste angsten overwinnen - een verhaal over worst

Hoe mannen hun diepste angsten overwinnen - een verhaal over worst


‘Waarom moet mijn man in vredesnaam worst maken?’ Als je dat geregeld verzucht wanneer je kijkt naar de grote bende in de keuken – gehakt op de vloer, knoflooklucht in de koelkast en een vleesmolen die niet in de vaatwasser mag – lees dan verder. Je zult meer begrip krijgen voor je man, geduldiger zijn, hem oprechter kunnen liefhebben, en zo een betere partner voor hem worden.

‘Waarom moet mijn man in vredesnaam worst maken?’ Als je dat geregeld verzucht wanneer je kijkt naar de grote bende in de keuken – gehakt op de vloer, knoflooklucht in de koelkast en een vleesmolen die niet in de vaatwasser mag – lees dan verder. Je zult meer begrip krijgen voor je man, geduldiger zijn, hem oprechter kunnen liefhebben, en zo een betere partner voor hem worden.

Want waaróm moeten mannen worst maken? Een eenvoudige vraag, met een verrassend ingewikkeld antwoord. Misschien leef je in de veronderstelling dat mannen worst maken omdat het ‘leuk’ is, omdat het een ‘aangename bezigheid’ of ‘hobby’ is, of omdat het ‘toch moet gebeuren’. Onnozelaar. Dat impliceert in feite dat vrouwen net zo goed worst kunnen maken! Dat idee alleen al is idioot genoeg om te concluderen dat er wel meer aan de hand móet zijn met die mannelijke worstbehoefte. Laten we eens met een psychoanalytische blik naar je worst makende partner kijken.

Er is een oud sprookje dat gaat over worst. Een houthakker en zijn vrouw mogen op een dag drie wensen doen. Terwijl ze nadenken over de grote rijkdommen die ze kunnen krijgen, wenst de vrouw per abuis een worst, die prompt uit de lucht komt vallen. De man roept boos dat hij wenste dat die worst aan haar neus zou groeien. En zo wordt ook de tweede wens vervuld. Met nog slechts één wens te gaan, heeft het echtpaar geen andere keuze dan te wensen dat het gezicht van de vrouw in oorspronkelijke staat hersteld wordt. En zo gaan de rijkdommen van de wereld aan hun neus voorbij.

Sinds Freud weten we dat sprookjes altijd gaan over seks, maar dan ook echt áltijd. Zo ook dit sprookje, en dankzij Freud begrijpen ook de meest onbedorven lezers onmiddellijk dat dit sprookje eigenlijk gaat over de nachtmerrie van iedere man: dat zijn vrouw een penis heeft. Mannen praten niet graag over deze angst, en zo komt het dat ze dan maar sprookjes gaan vertellen. De angst moet immers ergens een uitweg vinden. Het is een verborgen maar tegelijkertijd fundamentele angst: dat de man overbodig wordt en dat jij, zijn vrouw, genoeg hebt aan jezelf.

Worst heeft niet alleen te maken met het geslachtsdeel van ons mannen, maar ook met dat andere favoriete onderwerp van Freud: ons achterste. Het is zoals de slager Worst Holger in de film De Grønne Slagtere zegt: ‘Kun je je iets vernederenders voorstellen, dan in je eigen achterste gepropt te worden?’ En zo is het. Worst maken is het uitoefenen van heerschappij over de dieren, en dat tot in de fijnste perfectie. Het is niet zomaar het vangen van een dier waarna hij opgegeten wordt, zoals onze verre voorvaders deden bij mammoeten en sabeltandtijgers. Nee, de zelfworstende man maalt het dier fijn, kruidt het, stopt het in diens eigen achterste en hangt het te drogen. Zo overwint hij niet slechts het dier, maar overtroeft het bovendien en maakt het tot mikpunt van spot. Dit is natuurlijk niet omdat hij zo graag gemeen wil doen tegen een varken (echte mannen maken alleen scharrelworst). Maar door zo over het varken te zegevieren, overwint hij zijn eigen diepste angst om zich in zijn anus te verliezen – zoals het varken nu in zijn eigen anus verloren is gegaan. Ook dat is een angst die iedere man zal herkennen, maar waar hij niet graag over praat, zeker niet met zijn vrouw.

Wanneer je je man dus in de keuken bezig ziet met vlees en darm, ziet het er misschien onschuldig uit. Een hobby. Maar in werkelijkheid is het draaien der worst de bedding waardoorheen zijn woeste rivier van mannelijke driften kolkt. Terwijl worst na worst uit zijn Porkert glibbert, probeert hij te bewijzen dat hij de baas is. De baas over het dierenrijk, de baas over zijn stoelgang, de baas over zijn eigen geslachtsdeel en de baas… over jou. Dit alles door zijn eigen geslachtsdeel eindeloos te kopiëren in de vorm van salami’s, chorizo’s, harde worsten, zachte worsten, dunne worsten, dikke worsten en ga zo maar door. Als je goed luistert, hoor je hem soms nerveus prevelen: ik heb de grootste, ik maak de langste, ik ben het beste.

De ellende is nu dat al die worsten een nieuwe angst bij de man aanboren. Als de worsten eenmaal gedraaid zijn, staren ze hem vanaf het aanrechtblad boosaardig aan: wij zijn groter, beter, langer; wij glimmen meer en smaken beter! De remedie wordt dus tevens de kwaal: de man maakt een worst om zijn mannelijkheid te bewijzen, maar die worst gaat direct na zijn ontstaan de competitie met zijn schepper aan. De man gaat opnieuw twijfelen aan zijn mannelijkheid, wordt onzeker en neemt wraak: hij laat zijn schepping uitdrogen, beschimmelen of kapot roken. En vooral: hij gaat algauw weer aan de slag met nieuwe worsten. Want dat is nu eenmaal wat hij moet doen, wanneer hij aan zijn mannelijkheid twijfelt.

Het is dan ook veel meer dan een vorm van therapie – laat staan een hobby – deze tragische lotsbestemming van de man om worsten te maken. Noodgedwongen draait hij, in een poging zijn angsten te bezweren, worst na worst. Altijd tevergeefs op zoek naar definitieve bevrijding, maakt hij dikke en dunne worsten, knakworsten en salami’s, lever- en braadworsten. Nooit vindt hij rust. Zo, gekweld door de meest primitieve angsten, gaan de rijkdommen van de wereld aan zijn neus voorbij.

Aan al deze mannen dragen wij de Worstbijbel op. Het is een ode aan de worst, maar meer nog: een ode aan de man, en speciaal aan díe mannen die hun mannelijkheid elke dag weer willen ervaren; die mannen die dag na dag de strijd aangaan met hun eigen abdominale diepten.

Maar vooral dragen wij de Worstbijbel op aan al die vrouwen die met veel geduld de keukenvloer ontdoen van vleesrestjes, de drogende worsten in de badkamer of koelkast tolereren en bemoedigend glimlachen wanneer hun man met haat in zijn ogen de saucijsjes op de barbecue omdraait. Het zijn deze vrouwen die ons werkelijk man laten zijn.

 

Meneer Wateetons & Sjoerd Mulder


Meer columns


Een geboren en getogen bakkerszoon

Een geboren en getogen bakkerszoon

Een geboren en getogen bakkerszoon, dat ben ik. Niet gek dus dat ik al heel jong besloot dat ik bakker wilde worden. Mijn vader was banketbakker en heeft mij de kneepjes van het vak geleerd. Toch besloot ik een iets ander pad in te slaan dan mijn vader: ik had ontdekt dat ik brood bakken fantastisch vond. Na de middelbare school begon ik dan ook gelijk met een bakkersopleiding. Daarna werd ik niet meteen bakker op de manier die je zou verwachten. Ik ging namelijk aan de slag bij een bedrijf dat ingrediënten leverde voor brood. Denk hierbij bijvoorbeeld aan amandelspijs of aroma’s. Ik ontwikkelde deze producten en mocht bij bakkers door heel Nederland en België op bezoek om te demonstreren hoe ze het best met deze ingrediënten aan de slag konden. Bij mijn volgende werkgever kwam mijn focus meer te liggen op biologische ingrediënten, en tegenwoordig ben ik naast ontwikkelaar ook adviseur. Het leukste hieraan vind ik dat ik mag samenwerken met andere bakkers, en natuurlijk dat het allemaal om dat magische brood draait. 

5 februari Sint Agaat zaait salaat

5 februari Sint Agaat zaait salaat

Fransen lijken overal een spreekwoord voor te hebben; zolang het rijmt is het goed. Sainte Agathe, semmer tes salads. ‘Op Sint Aagaat, zaait u salaat.’ Oftewel, vandaag kan er sla gezaaid worden, ongeacht het weer. Bij sneeuw, schuif het opzij, als de grond stijf bevroren is, zaai je in een bakje dat je op een beschut plekje of onder glas zet. Het is waar dat het vaak goed gaat en je al heel vroeg in het voorjaar sla kunt oogsten, maar dat ligt wel heel erg aan het humeur van de weergoden. Meer dan eens was de sla die vroeg in het voorjaar gezaaid werd tegelijk klaar met die van Agaat, maar ach, het blijft een leuk experiment. Uiteraard wel met een slasoort die bestand is tegen een beetje kou.