Ouderwetse erwtensoep

Ouderwetse erwtensoep

Iemand uit mijn vriendenkring bestelde een keer erwtensoep – zo stond het op de menukaart omschreven. Groot was zijn teleurstelling toen bleek dat het om soep van doperwtjes ging, want dat is beslist een heel ander soort soep. Erwtensoep of snert is zo’n klassieker die iedereen wel kent. Voedzaam en verwarmend, heerlijk na een schaatstocht of een wandeling door een winters landschap. Vaak wordt erwtensoep gegeten in combinatie met roggebrood en katenspek. Die combinatie stamt uit de tijd dat veel mensen nog zware lichamelijke arbeid verrichtten en dus zeker in de koude wintermaanden goed gevoed moesten worden. Het woord snert is afgeleid van het oud-Hollandse ‘snerten’, wat ‘fijnkoken’ betekent. Een andere verklaring vind ik in een etymologisch woordenboek van het Afrikaans: hierin is ‘snert’ een afgeleide van ‘snars’: ‘ontsnapping van darmgassen, buikwind’.

In oudere recepten wordt de soep met een halve varkenskop gemaakt. In een tijd waarin het meeste vlees zo verwerkt is dat het ons niet meer aan een dier doet denken, is dat voor velen een beetje ondenkbaar en afschrikwekkend. De varkenskop bevatte veel gelatineus vlees en zorgde behalve voor vlees en een krachtige bouillon ook voor het binden van de soep. Ook hamschijf, het bovenste deel van de poot, werd voor dit doel gebruikt. Dat is de kluif uit de ‘erwtensoep met kluif’, zoals dit gerecht vroeger ook bekendstond.

Ik denk dat iedere familie wel zijn eigen erwtensoeprecept heeft. Ons familierecept is genoeg voor een enorme pan, want bij ons in de familie worden grote pannen gekookt en wordt er vervolgens uitgedeeld. Behalve het recept heb ik ook die gewoonte overgenomen. Behalve uitdelen kun je deze soep natuurlijk ook invriezen of een dagje bewaren. Want ook voor deze soep geldt: een dag later is hij nóg lekkerder.

Benodigdheden


grote soeppan


Ingrediënten


750 g schouderkarbonade

900 g spliterwten

750 g prei, gewassen en in heel dunne ringetjes gesneden

2 uien, heel fijn gesnipperd

1 selderijknol, in kleine blokjes

1 flinke bos selderij, steeltjes en blaadjes fijngehakt

1 winterwortel, grof geraspt

250 g gerookte spekblokjes

3 vlees- of groentebouillontabletten

2 aardappelen, geschild

1 à 2 rookworsten

zout en versgemalen peper


Bereidingswijze


*Zet in een grote soeppan (circa 6 liter) het vlees op met 2 liter water en breng aan de kook. Kook het vlees in 45-60 minuten gaar en haal het vlees van de botten. Zeef de bouillon en doe samen met het vlees in de soeppan.

*Spliterwten hoef je niet te weken. Maar ik doe dat toch, gedurende 2 à 3 uur, omdat ik hou van een gebonden soep waarin de erwten zo veel mogelijk uit elkaar vallen. En je weet niet hoe oud de spliterwten zijn als je ze koopt. Doe ze in een bolzeef en spoel ze onder stromend water.

*Voeg de spliterwten, de prei, uien, selderijknol, gehakte selderij, wortel, spekblokjes en bouillontabletten, 2 theelepels zout en wat versgemalen peper toe aan het vlees in de soeppan. Voeg nog 1½ liter water toe. Breng al roerend aan de kook.

*Rasp na 1 uur kooktijd de aardappels met een grove rasp boven de soep. Dit zorgt voor extra binding.

*Laat de soep nog 1 uur zachtjes koken, langer mag ook. Roer af en toe voorzichtig om en let daarbij goed op dat de soep niet aanzet. Gebruik eventueel een sudderplaatje.

*Voeg als je de soep te dik vindt nog wat extra water toe. Breng de soep op smaak met zout en peper.

*Wel de worsten volgens de gebruiksaanwijzing, vaak is dat 20 minuten in water van 90 graden. Snijd de worst in plakjes en serveer bij de soep.

 

Serveer er eventueel roggebrood met katenspek bij.