Wat een salade

Wat een salade


Een saladebijbel, maar waarom? Alles is immers een salade (tenzij het een soep is). Júist daarom. In het Nederlands denk je misschien meteen aan een koude bereiding, maar ik ken zelfs een versie van andijviestamppot die salade au lards heet. Fransen nemen het woord sowieso heel ruim: als ze zeggen ‘het werd nog een hele salade’, kan het betekenen dat er tumult was, of zelfs een vechtpartij. Roepen ze uit ‘Quelle salade!’, dan bedoelen ze: ‘Wat een zooitje!’ En dat kan dan ook zomaar een feestelijk zooitje zijn. Alle mengsels kun je dus eigenlijk salade noemen. En precies daarom is het heel leuk om er een boek over te maken.

Alle klassiekers bij elkaar in één boek, waar nodig aangepast naar deze tijd; omdat (kook)tijden veranderd zijn, net als de verkrijgbaarheid van ingrediënten. Om maar niet te spreken van hun politieke correctheid: sommige producten kunnen gewoon niet meer. We serveren geen zangvogeltjes, en voor een blauwvintonijn of zeeschildpad hoeft u ook niet naar de visboer te lopen. Maar er zijn er ook een heleboel bij gekomen. Vroeger had je geen malle kazen uit ‘verre’ landen, geen kiemscheuten, sojasaus, paprika of broccoli en vond je eetbare bloemen alleen bij sterrenrestaurants of kruidenvrouwtjes. Met al die ‘nieuwigheden’ zijn ook weer talloze recepten te verzinnen. En of je die nou serveert in weckpotjes, kommen met exotische namen, tacoschelpen of op dakpannen, of ze gestapeld of gedeconstrueerd zijn, het gaat natuurlijk om de ingrediënten en hoe die zijn bereid. De mogelijkheden zijn eindeloos. Bij de recepten vindt u vaak nog een lijstje met variaties, en u verzint er vast nog een paar bij. Omdat het nu eenmaal mijn natuur is, heb ik bij zo veel mogelijk recepten alvast een vegaversie verzonnen; geen garnalencocktail zonder garnalen maar wel een bagna càuda voor vega’s. Wie mij kent, weet dat ik niets eet dat oogjes had, maar ik ben ook gewoon kok en maak met liefde van alles klaar dat ik zelf niet opeet. En als je een kookbijbel samenstelt, hoort die zo volledig mogelijk te zijn, dat betekent mét spekjes, liefst van zo goed mogelijke kwaliteit en van vrolijke varkens, maar dat spreekt voor zich. Om die mooie Franse opmerking maar eens in te burgeren: Wat een salade! Laten we iets lekkers gaan maken.


Meer columns


Lang leve de Franse keuken in Nederland.

Lang leve de Franse keuken in Nederland.

In mijn familie werd altijd heel veel gekookt. Alle familiefeesten bestonden uit grote diners, zodra er iets te vieren viel gingen we de keuken in. Mijn moeder nam me vroeger in Parijs altijd mee boodschappen doen. Ik was een beetje een zwak jongetje toen ik klein was en mijn moeder was altijd in de buurt.

Ik heb leren koken met een plank en een mes, oké, een pan was ook wel handig maar eigenlijk is dat alles wat je in de keuken nodig hebt. Nu lijkt het soms alsof keukens een soort laboratoria zijn waar wetenschappers hun werk doen. Terwijl het voor mij echt een ambacht is waarbij met de handen wordt gewerkt. Al het gereedschap wat nu in veel keukens aanwezig is hebben we echt niet nodig om lekker te kunnen koken. Een keuken vol met technologie vind ik niet fijn werken. Je ziet de laatste tijd ook schoorvoetend dat oude technieken weer meer en meer de overhand krijgen.

Heb je Italianen weleens over eten horen praten?

Heb je Italianen weleens over eten horen praten?

Het lijkt net of ze ruzie hebben, zo verhit en vol passie gaat het eraan toe. Dat komt omdat dé Italiaanse keuken eigenlijk niet bestaat. Italië bestaat als staat pas sinds 1870, daarvoor was het een ratjetoe van landen en kleine staatjes. Maar wat dit bijeengeraapte zootje deelde, was een culinaire traditie. Recepten die van moeder op dochter werden overgedragen. Elke streek, elk dorp en iedere familie heeft zijn eigen tradities, en o wee als je die in twijfel trekt.